|
4’57 |
De verdwenen karavaan |
Lieven Tavernier |
|
Ik sliep in ‘t
diepe duister, in ‘t midden
van de nacht, stond iemand in
mijn kamer en zei, je wordt
verwacht, de karavaan
staat klaar, kom op en kleed
je gauw we staan op jou
te wachten, ja, d’r is nog
plaats voor jou. En toen ik uit
mijn huis ging zag ik een
groepje staan herkende hun
gezichten en wist nog
ieders naam, het waren oude
vrienden die ik nooit
meer had ontmoet en ook mijn
jeugdvriendinnen stonden wachtend
op de stoep. Iemand gaf een
teken en wij
vertrokken toen, de vrieslucht
sneed bijtend door mijn jas
van licht katoen, geen mens was in
de straten, er klonk nergens
geluid witte vlokken
vielen, veegden onze
sporen uit En weldra lag de
stad al heel ver
achter ons we liepen
zwijgend verder langs
stilstaande wagons en verder langs
de velden trok de karavaan de wijzers op de
toren bleven
onveranderd staan. Een kind dat
niet kon slapen heeft ons die
nacht gezien en hoe op onze
schouders de sneeuw zacht
nederviel en hoe mijn
jeugdvriendinnen als zusters
dicht bijeen mijn
liefdesbrieven lazen, lieten vallen in
de sneeuw. Ik keek naar hun
gezichten, bekeek ze van
dichtbij, ze leken zacht
en rustig glimlachten
tegen mij, geen droefheid,
geen vermoeidheid de kou deerde
hen niet, ze liepen zonder
aarzelen naar een
onbekend gebied. En plotseling
werd ik angstig als wist ik niet
waarom, en niet toen ik
wou vragen of ik bij hen
blijven kon, lieten ze me
achter verdwenen een na
een, er werd geen
woord gesproken maar iemand
knikte zacht van neen. Mijn liefste
kwam mij wekken, ze zei, je sliep
zo diep ik wou mijn
droom vertellen ik vond de
woorden niet ik vouwde mijn
handen voor mijn gelaat en weende zacht
en bitter om de verdwenen
karavaan.
|
| Terug naar "Poolijskap" = 7 |