| 6’20 | Apocalyps | |
|
Toen ik op de
dag des Heren in m’n tuin van Lede zat en bij ‘t
zingen van de regenvogel mijn gebeden bad was daar plots
een transcendente stem van 100 watts of meer: het was
onmiskenbaar de geluidsversterking van de Heer. Ha zo, ha zo, zo
sprak die stem, wie zit daar in zijn hof wie plukt daar
al de bloempjes af en maakt het veel te grof ? M’n hart zat
in m’n sokken, bijna was ik gevlucht, maar dan merkte
ik de hemelse verschijning in de lucht, ik zonk ter
aarde neder maar de stem sprak weer: vrees niet schrijf op wat
nu geschieden zal en maak daarvan een lied, het is Mijn wil
dat jij dit zingt voor zevenhonderdmaal, zevenhonderd
zalen, als het kan, normaal betaald ! De wolken
scheuren open, de lucht is rood als bloed en ik zie in
geestverrukking zeven monsters uit de gloed van gloeiende as
te voorschijn kruipen, grommend van genot, maar de engel
houdt ze nog in toom met riemen rond hun strot, opzij, opzij, zo
roept de engel, ‘k laat de beestjes los wie op hun weg
komt, Antichrist, die is finaal de klos ! De monsters
stormen brullend weg, gepantserd en vuurvast ze verduisteren
het zonlicht met hun wolken uitlaatgas, en maken van de
zee ‘n poel met pek en D.D.T., en midden van
die chaos zie ‘k de blauwe engel staan, hij glimlacht
heel ironisch en hij reikt ze alles aan. Het monster met
de vurige tong en met de witte boord schudt met z’n
schubben en ontsluit de seminariepoort daar komen in
een wierookwolk tien sprinkhaanduivels uit ze dragen op hun
koeiekop elk een injectiespuit de naald is als
een gloeiend zwaard waaruit de vonken slaan ze fluiten
liedjes van James Last als ze ten strijde gaan. En dan zie ik
dat uit de zee een machtig beest verschijnt; -dat moet dan
zonder twijfel de draak van Mao zijn- elk van zijn
zeven koppen draagt een godlasterlijke naam, en voor elke kop
zie ik ‘n massa in aanbidding staan maar ijlings als
‘n bliksemflits verschijnt een tweelingbeest, -alleen met
groter tanden nog- en allen zijn geweest. De vurige
hellewagen wordt getrokken door de Bok, de voerder
zwaait triomfantelijk met het hoofd van Papadoc maar daar komt
reeds de engel Basiel Goedertier aan, hij is de armen
en de dwazen stil voorbijgegaan, zet ‘n domper
op de vuren, verft de lucht weer blauw en bergt de
monsters op in het rechtvaardigheidsgebouw. En ‘t was of
‘k helemaal leeg was, of vol, zoals je wil en alles was
eenvoudig, en alles was weer stil, ik zag alleen
‘n lammetje dat in de boomgaard stond, het keek wat
melancholisch, er kwam nevel uit de grond ik voelde plots,
als in een droom, twee armen om me heen, deze engel nu
heet Joke, dus ik kom er wel doorheen.
|
| Terug naar "Vogelenzang, 5" = 7 |